| Verder denken over christelijke zorg voor armen in de derde wereld | |||
Auteur: Hans van der Lee, directeur TEARfund Nederland
Artikel overgenomen uit Informatie, een uitgave van de EZA
Het julinummer van In-Formatie bevatte een artikel geschreven door één van mijn collega's binnen de wereld van christelijk werk onder armen in de derde wereld. Jan Lock, directeur van het reformatorische Woord & Daad, verwoordde daarin zijn visie op het bestaansrecht van christelijke ontwikkelingssamenwerking. Jan en ik hebben in verschillende gesprekken hierover van gedachten uitgewisseld en besloten nog eens door te praten. Genoemd artikel leek ons een goede aanleiding daartoe. Als directeur van het evangelische TEAR fund begin ik graag met de opmerking dat er veel overeenkomsten bestaan tussen Woord & Daad en TEAR fund. Beide organisaties gebruiken de Bijbel als leidraad voor wat zij zijn en doen. We hebben dus veel gemeenschappelijk en dat is mijn primaire uitgangspunt. Mijn motivatie voor dit artikel, waarop Jan weer reageert, is om door vanuit twee invalshoeken in gesprek te zijn, de visievorming rond genoemd onderwerp verder te stimuleren en niet om het beleid of de praktijk van TEAR fund en Woord & Daad tegenover elkaar te zetten.
Christelijke ontwikkelingssamenwerking?
Jan concludeert dat het terecht is te spreken over christelijke ontwikkelingssamenwerking.
Hij erkent dat het begrip ontwikkelingssamenwerking een sterke politieke
oorsprong en lading heeft, gebaseerd is op een gefragmenteerd mensbeeld
en vaak een overwegend economische invulling krijgt die bovendien regelmatig
gereduceerd wordt tot activiteiten waarvan resultaten direct meetbaar moeten
zijn. Desondanks vindt hij dat ontwikkelingssamenwerking gedragen kan worden
door een christelijke motivatie en een zekere christelijke invulling krijgen
kan. Zijn argumentatie is dat wat met ontwikkelingssamenwerking wordt beoogd,
beslist niet hetzelfde is als diaconaat, en daarom als christelijke maatschappelijke
dienstverlening bestaansrecht heeft. Diaconaat definieert hij als dienstbetoon
binnen en vanuit de christelijke gemeenschap met als primaire insteek bewogenheid
voor mensen. Ontwikkelingssamenwerking richt zich daarentegen op de samenleving
en op het verbeteren van levensomstandigheden. Dit betekent voor zowel Jan
als mijzelf dat (wereld)diaconaat en ontwikkelingssamenwerking twee verschillende
zaken zijn. (Wereld)diaconaat is iets dat van oorsprong en qua inhoud typisch
christelijk is. Ontwikkelingssamenwerking is dat typisch niet. Christenen
kunnen zowel betrokken zijn bij activiteiten die vallen onder (wereld)diaconaat
als ontwikkelingssamenwerking. Omdat het twee verschillende, alhoewel elkaar
soms gedeeltelijk overlappende terreinen zijn, is het belangrijk dat iedereen
die op deze terreinen actief is, voor zichzelf en voor anderen, goed helder
maakt waar men zich op richt. In de praktijk blijkt dat daar gemakkelijk
onduidelijkheid over bestaat of ontstaat. Je bent als persoon of organisatie
òf gericht op (wereld)diaconaat, òf op ontwikkelingssamenwerking,
òf op beide, maar te allen tijde moet voor alles en iedereen duidelijk
zijn wat de bedoeling is: diaconaat of ontwikkelingssamenwerking.
Wees duidelijk over je bedoelingen
Vooral voor mensen die financieel willen bijdragen aan activiteiten waarvoor
fondsen geworven worden, is het noodzakelijk dat het duidelijk is of die
activiteiten vallen binnen de kaders van (wereld)diaconaat of ontwikkelingssamenwerking.
Soms krijg ik de indruk dat die duidelijkheid bewust niet gegeven wordt
(ik heb het hier niet over TEAR fund of Woord & Daad) om zowel mensen
aan te spreken met een voorkeur voor (wereld)diaconaat als voor ontwikkelingssamenwerking.
Daar waar dat gebeurt, is men mijns inziens, onvoldoende ethisch verantwoord
bezig.
Als christenen dienen we onze uitgangspunten en doelstellingen te ontlenen
aan Gods Woord. Dit is veel eenvoudiger te verwezenlijken binnen (wereld)diaconaat
dan binnen ontwikkelingssamenwerking. Jan meent dat er christelijke (uitdrukkings)vormen
van ontwikkelingssamenwerking bestaan. Ik heb daar mijn twijfels bij, of
op zijn minst vind ik het gevaarlijk daarvan te spreken. Wel is het duidelijk
dat je als christen betrokken kunt zijn bij vormen van maatschappelijke
dienstverlening, zoals ontwikkelingssamenwerking. En wanneer je dat dan
bent, dan is het goed dat werk een zo christelijk mogelijke invulling te
geven. Echter, het grote gevaar van het gebruik van de term 'christelijk
ontwikkelingswerk' is dat de indruk gewekt wordt dat het gaat om christelijk
werk onder armen in de derde wereld, terwijl het werk betreft dat seculier
van aard en oorsprong is en blijft. Dat verandert niet wanneer het uitgevoerd
wordt door christenen en, afhankelijk van de vaak beperkte mogelijkheden
daarvoor, een enigszins christelijke invulling krijgt.
Het eigene van (wereld)diaconaat
In alle gevallen zullen we helder en duidelijk moeten zijn naar onszelf
en onze omgeving over waar we ons op richten. Indien we een bijdrage willen
leveren aan ontwikkelingssamenwerking moeten we dat geen (wereld)diaconaat
noemen, en omgekeerd. De eigenheid van (wereld)diaconaat, qua motivatie,
uitgangspunten, aard en invulling doet iets ontstaan dat, als het goed is,
dermate verschilt van ontwikkelingssamenwerking dat die vlag simpelweg de
lading niet dekt en dus ook niet gebruikt moet worden1.
Wat die vlag dan wel is, lijkt minder belangrijk zolang het maar goed uitdrukking
geeft aan het eigene van waar christenen mee bezig zijn wanneer ze zich
richten op (wereld)diaconaat. Afgelopen september nam ik deel aan een conferentie
van ongeveer 140 evangelische organisaties uit 50 landen vanuit elk van
de continenten, alle actief op het terrein van christelijk werk met en onder
armen2 . In de slotverklaring van deze
conferentie wordt aangegeven dat dit werk, vanwege het onderscheidend karakter,
zich niet langer moet bedienen van termen als ontwikkeling(ssamenwerking).
De term die voor christelijk werk onder armen3
gekozen werd, is 'Integral Mission'4
. De slotverklaring geeft aan dat we geloven dat dit werk gestalte wordt
gegeven door een combinatie van doen, spreken en zijn. Dit uitgangspunt
neemt het dilemma weg waar Jan moeite mee blijkt te hebben. Hij geeft in
de laatste paragraaf van zijn artikel aan dat hij niet weet wat belangrijker
is; het Woord (van God) of de daad (van de mens). Ongeacht wat Jan hier
uiteindelijk bedoelt, blijft staan dat het de groeiende overtuiging is binnen
organisaties van bijbelgetrouwe christenen van over heel de wereld dat het
Woord, God dus, ons oproept meer van het Koninkrijk gestalte te laten krijgen
in het leven van de arme medemens door een combinatie van doen, spreken
en zijn5 . Het betreft hier niet een
spanningsveld tussen daad en Woord, maar het gaat om een gehoorzaamheid
aan het Woord, dus aan God, die uitgewerkt wordt in ons doen, spreken en
zijn. De vervlochtenheid van doen, spreken en zijn binnen het werken aan
Gods opdracht de naaste lief te hebben als onszelf is een integraal gebeuren
waarin geen van drieën een principieel primaat heeft. Alleen wanneer
dit integraal karakter tot uitdrukking komt, spreken we van bijbels-holistisch
werk onder en met armen. Natuurlijk kan op basis van roeping, karakter,
gaven en talenten, taakstelling, etc., etc. gekozen worden één
(of twee) van de drie terreinen extra te benadrukken. Dat neemt echter niet
weg dat 'Integral Mission' pas echt integraal is wanneer elk van de dimensies
doen, spreken en zijn nadrukkelijk aanwezig zijn en een harmonisch en complementair
geheel vormen.