| Op
zoek naar een goede relatie tussen zending en werelddiaconaat |
|
Auteur: Hans van der Lee, directeur TEARfund Nederland
Artikel overgenomen uit Informatie, een uitgave van de EZA
Historisch gezien valt christelijk werk in het buitenland uiteen in twee
componenten: zending en diaconaat. Men stelt nogal eens de vraag of zending
belangrijker is dan diaconaat, of andersom. In dit artikel tracht ik een
beknopt antwoord te geven op deze vraag vanuit het perspectief van christelijk
werk onder armen in de derde wereld. De achtergrond van deze keuze is het
feit dat zich daar - mondiaal gezien - de grootste behoefte voordoet aan
zowel zending als diaconaat.
Naast het feit dat Jezus en zijn volgelingen ons een voorbeeld geven, waarin
woord en daad in elkaar overvloeien, zien we dat ook de behoefte op het
werkterrein een dergelijke eenheid noodzakelijk maakt. De opdracht en het
voorbeeld van God zelf zijn op zich al voldoende reden om te werken aan
een goede integratie van diaconaat en zending.
Daarnaast is het interessant te vernemen wat de praktische behoeften in
het veld zijn. In dit zendingskader kijken we vanuit deze twee verschillende
insteken naar deze behoeften: ten eerste diaconaat, ten tweede een duidelijke
geestelijke dimensie binnen diaconaat.

De behoefte aan diaconaat en zending.
Bij de evangelieverkondiging onder armen in de derde wereld constateren
we het volgende:
-
De situatie waarin gewerkt wordt leidt noodzakelijk tot
integratie van woord en daad.
Om het evangelie relevant te maken in een situatie waarin armoede het
leven van mensen overheerst moet men deze armoedesituatie op zich 100%
serieus nemen. Het evangelie heeft een heldere boodschap voor dit soort
situaties. Blijft dit onderbelicht, dan doet men tekort aan deze boodschap.
-
Diaconaat is de daad bij het Woord voegen.
De christen moet zelf in de praktijk brengen wat hij preekt en wat Jezus
gepreekt heeft. Dit geldt zowel op persoonlijk vlak als op het vlak van
maatschappelijke zorg. Vanuit het Koninkrijk moet duidelijk de alternatieve
levensstijl en maatschappelijke orde worden getoond, waarin liefde centraal
staat en ook praktisch uit te werken is in zorg voor de naaste, speciaal
de arme en behoeftige. Een zendeling moet niet alleen een boodschap hebben,
maar ook de levende belichaming en verpersoonlijking zijn van die boodschap
(heb God lief boven alles en je naaste als jezelf).
-
Daden spreken soms meer dan woorden.
Otto de Bruijne zegt heel scherp: 'Het is een misleidende gedachte dat
verkondiging door woorden ook inderdaad Woord-verkondiging zou zijn'.
Soms spreken daden een duidelijker taal dan woorden, die het getuigenis
zelfs in de weg kunnen staan. Soms moeten daden het recht verwerven om
te kunnen spreken. Diaconaat maakt de boodschap zichtbaar.
-
Is zonde een gevolg van armoede, dan moet men de oorzaak
en niet (alleen) het symptoom bestrijden.
Een prostituee kan tot bekering komen, haar leven willen veranderen, maar
als haar geen alternatieve bron van inkomsten wordt geboden, hoe zou ze
haar leven kunnen beteren wanneer zij tot prostitutie werd gedreven door
armoede?
Elk van de hierboven weergegeven punten geeft duidelijk aan dat bij het
bedrijven van zending in een derde wereldsetting diaconale zorg volledig
geïntegreerd moet zijn.

De behoefte aan zending en diaconaat
Binnen kaders van diaconale hulp of christelijk ontwikkelingswerk onder
armen in de derde wereld valt het volgende te constateren:
-
Ontwikkelingswerk is mede een overdracht van normen en
waarden.
Ontwikkelingswerk is niet waardevrij maar sterk normactief geladen. Dit
wordt ook in seculiere kringen niet ontkend. Met de nieuwe mogelijkheden,
die men mensen aanreikt, moeten normen en waarden overgebracht worden.
Het hedendaags ontwikkelingsdenken is doordrenkt van de gedachte dat de
bestrijding van armoede een economisch proces is. Vergroot het inkomen
van de arme en zijn problemen zijn over, zo denkt men. Maar als de persoon
in kwestie zijn nieuw verdiende geld opdrinkt in de kroeg, vergokt of
opmaakt in het bordeel, kan er weinig sprake zijn van verbetering, eerder
van morele achteruitgang.
-
De medemens in de derde wereld ziet en ervaart geen scheiding
tussen het materiële en immateriële.
Zijn wereldbeeld is holistisch en niet dualistisch (waarin het geestelijke
en het stoffelijke gescheiden zijn). Hij verwacht dat er binnen de christelijk
hulpverlening ook een geestelijke dimensie aanwezig zal zijn. Er is totaal
geen begrip voor wat voor scheiding ook tussen zending en werelddiaconaat.
In het wereldbeeld van onze medemens in de derde wereld zijn het geestelijke,
het materiële, het religieuze, het seculiere, het politieke, het
economische en het sociale alle met elkaar verbonden, vervlochten en vormen
soms één geheel. Ons aanbod van hulp aan deze mensen moet
gebeuren in een vorm die goed aansluit bij hun belevingswereld.
-
Armoede is satanische verminking van het beeld van God.
Satans rijk is er op uit om de mens als kroon van Gods schepping en beelddrager
van Hem te ontsieren door armoede, zelfs te verminken. Satan is erop gericht
om maatschappelijke structuren op te zetten die leiding tot de aantasting
van Gods beeld in de mens. Deze demonische dimensie maakt armoede tot
meer dan een sociaal-economisch probleem.
-
Ontwikkelingswerk (diaconaat) wil soms veranderingen
aanbrengen op terreinen die beheerst worden door culturele of religieuze
overtuigingen.
Culturele en religieuze overtuigingen kunnen er de oorzaak van zijn dat
mensen bepaalde veranderingen tegenstaan, bijvoorbeeld bang zijn voor
occulte krachten omdat men gelooft dat de geestenwereld bepaalde veranderingen
niet wil. Veranderingen kunnen ook geweigerd worden in de veronderstelling
dat (geesten van) gestorven voorouders er tegen zijn.
-
Emotioneel en geestelijk lijden vraagt om een antwoord
van gelijke hoedanigheid.
De armen in de derde wereld lijden niet alleen op materieel en fysiek
vlak maar ook op emotioneel en geestelijk vlak. Dit laatste is een gevolg
van het feit dat armoede zelf resulteert in emotionele en mentale trauma's.
Christelijk ontwikkelingswerk is in de grond van de zaak een antwoord
gegeven op dit menselijk lijden. Er is dus zorg nodig die aansluit bij
elk van die terreinen, inclusief het emotionele en geestelijke.
-
Diaconaal werk of christelijk ontwikkelingswerk moet
als zodanig herkenbaar zijn.
Diaconaat zonder Woord maakt dit werk onherkenbaar voor wat haar herkomst
betreft. Los van het Woord verliest diaconaat zijn evangelische motivering,
zingeving en herkenbaarheid.
-
Werelddiaconaat zonder geestelijke dimensie atrofieert
tot seculiere hulpverlening.
De historie van christelijk ontwikkelingswerk wijst uit dat - bij onvoldoende
visie voor de geestelijke behoefte van mensen - dit werk langzaam maar
zeker haar identiteit verliest en inhoudelijk gelijkgesteld kan worden
met het werk van puur seculiere organisaties. Diaconaat ontaardt dan in
wat men tegenwoordig de hulpverleningsindustrie noemt. Diaconaat is Gods
liefde aan het werk in en door ons. Als het meer mensenwerk is dan het
werk van God, dan is diaconaat niet langer dat wat het wezen moet. Francis
Schaeffer formuleert heel kernachtig: 'The Lord's work in human energy
is not the Lord's work any longer. It is something, but it is not the
Lord's work'.
Wanneer we al deze argumenten voor een geestelijke dimensie in diaconaat
op een rijtje zetten wordt duidelijk, dat geestelijke zorg binnen christelijke
hulpverlening geen uiting is van een verborgen agenda om zieltjes te winnen,
zoals men wel eens beweert. Het is een essentieel onderdeel van de zorg
voor de naaste vanuit een bijbels holistisch mens- en wereldbeeld. Werelddiaconaat
zonder een geestelijke dimensie is het bestrijden van gevolgen zonder naar
de (vaak geestelijke) oorsprong van
Armoede te kijken.

Afsluitende conclusies
Het voorbeeld dat Jezus ons gaf èn de behoefte in de praktijk
van zending (evangelie-als-woord) en werelddiaconaat (evangelie-als-daad)
laten ons zien, dat het aanbrengen van een scheiding tussen die beide niet
de bedoeling is. Het werk onder armen in de derde wereld, waarin beide op
bijbelse wijze zijn geïntegreerd, valt te karakteriseren met de term
'verkondiging van het Koninkrijk'. Als vanuit dit perspectief de nadruk
ligt op diaconale activiteiten wordt er gesproken over holistisch werelddiaconaat.
Diaconaal werk (evangelie-als-daad) onder armen in de derde wereld, dat
losgeweekt is van haar bijbelse en geestelijke context en als daad van barmhartigheid
(of gerechtigheid) geïsoleerd en verzelfstandigd wordt aangereikt vanuit
de christelijke gemeente, mist de noodzakelijke verrijking van het evangelie-als-woord
en het evangelie-als-teken. Het vertegenwoordigt meer een dualistische visie
dan een holistische, bijbelse visie en holt daarmee haar eigen wezen en
inhoud uit.
Het primaat voor diaconaat of zending binnen de verkondiging van het Koningrijk
wordt bepaald door specifieke roeping, gaven en talenten. Maar eveneens
door de situatie. Zending èn werelddiaconaat hebben hun eigen bestaansrecht,
maar zij kunnen ziet zonder elkaar en evenmin zonder een goddelijke bevestiging
en bekrachtiging. Dat personen en organisaties zich òf meer richten
op het evangelie-als-woord, òf meer richten op het evangelie-als-daad
is goed te verdedigen. Dit mag echter nooit zulke extreme vormen aannemen
dat één de ander uitsluit.
Hans van der Lee is directeur van TEARfund Nederland. Een meer uitgebreide
studie over dit onderwerp is onder de titels "Op zoek naar een goede
relatie tussen zending en werelddiaconaat en Verkonidig het Koninkrijk"
beschikbaar via de schrijver van dit artikel.