| Niet te benauwd graag | |||
Auteur: Jan Lock, directeur Woord en Daad
Artikel overgenomen uit Informatie, een uitgave van de EZA
Met genoegen las ik de reactie van Hans van de Lee op mijn artikel in het julinummer van In-Formatie. Ik constateer dat we het over veel zaken met elkaar eens zijn. Over met name de invulling van christelijke ontwikkelingssamenwerking in de praktijk lijken we echter van mening te blijven verschillen.
De aanleiding tot mijn artikel was de vraag van de redactie van In-Formatie om iets te schrijven over de ethiek van christelijke ontwikkelingssamenwerking. Deze vraag bepaalde in hoge mate de inhoud van mijn artikel. Vandaar dat ik eerst gekeken heb of er wel christelijke ontwikkelingssamenwerking bestaat en zo ja: hoe die er dan uit zou zien. In mijn artikel maak ik duidelijk welke positie ik kies. Voor de helderheid zal ik mijn visie nog eens samenvatten.
De kern van het probleem is eigenlijk een definitieprobleem.
Mijn uitgangspunt is dat de definiëring van ontwikkelingshulp in de
wortel seculier is. Het feit dat er in de motivatie sprake kan zijn van
een christelijke connotatie doet daar weinig of niets aan af.
Op het moment dat christenen pogen aan ontwikkelingshulp christelijke wortels
te geven, doen zij geen recht aan de historische wortels van het begrip.
In de kern hanteren zij dan zelfs een ander ontwikkelingsbegrip, waardoor
er slechts sprake is van een schijnbare overeenkomst en dragen zij dus bij
aan een spraakverwarring die het inhoudelijke gesprek over ontwikkelingssamenwerking
eerder frustreert dan stimuleert.
Op basis van deze constatering heb ik zelfs lang getwijfeld of christelijke
ontwikkelingshulp basaal niet een contradictio in terminis is. In mijn bijdrage
in de vorige In-Formatie heb ik op basis van het binnen- en het buitenperspectief
aangegeven waar onderscheid ligt en daarin wegen gezocht naar het op christelijke
wijze omgaan met ontwikkelingssamenwerking. Hans geeft daar een goede samenvatting
van.
De conclusie die Hans onder het kopje Christelijke ontwikkelingssamenwerking?
mede naar aanleiding van mijn betoog neerschrijft, deel ik: je moet altijd,
overal en aan iedereen duidelijk kunnen en willen maken vanuit welk perspectief
je waar naartoe werkt. Daar kan en mag juist voor een christen geen onduidelijkheid
over bestaan.
Tot zover eigenlijk geen verschil van mening dus. Toch gaat het bij het
volgende kopje Wees duidelijk over je bedoelingen kriebelen. Allereerst
denk ik dat we voorzichtig moeten zijn elkaar als organisaties in algemene
termen de maat te meten als het gaat om ethisch handelen op het gebied van
fondsenwerving. Ik prefereer in geval van wantrouwen een open gesprek.
Het tweede waar het bij mij chronisch gaat kriebelen is het betoog van Hans
dat begint met "Als christenen dienen we onze uitgangspunten
invulling
krijgt". Hans constateert dan dat uitgangspunten en doelstellingen
die ontleend zijn aan Gods Woord gemakkelijker te verwezenlijken zijn binnen
(wereld)diaconaat Dat zou logescherwijs ook zo moeten zijn omdat het om
een binnenperspectief gaat. Maar daarom loop je toch niet weg voor je verantwoordelijkheid
in het buitenperspectief?
Ik noem in dat verband een aantal elementen. Die verantwoordelijkheid vind
ik de voortdurende kritische belichting op bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking
in termen zoals ik die in mijn artikel heb beschreven, met aandacht voor
de hele mens. Dat is al een kritisch getuigenis op zich.
Het is ook ontwikkelingssamenwerking voortdurend bevragen naar haar gereduceerde
mensbeeld, haar eenzijdige kwantificering, op haar uitgangspunten, op haar
werkwijze. Dat is ook jezelf als christelijke organisatie voortdurend toetsen
aan je werkwijze. Dat is binnen de kaders van ontwikkelingssamenwerking
desnoods tegen de stroom oproeien. In die zin vind ik de visie van Hans
te beperkt met het gevaar dat we het terrein van ontwikkelingssamenwerking
maar laten voor wat het is, terwijl juist vanuit christelijk perspectief
er een heilzame invloed uitgeoefend kan worden.
Hier wreekt zich m.i. het punt dat mijn artikel en Hans' reactie vanuit
een verschillende vraagstelling zijn geschreven. Daarbij haalt Hans logischerwijs
andere elementen voor het voetlicht die op onderdelen tot (ogenschijnlijke)
verschillen kunnen leiden.
Ik had het bijvoorbeeld in mijn artikel niet over (wereld)diaconaat. Ik
ben het met Hans eens dat (wereld)diaconaat niet inwisselbaar is voor ontwikkelingssamenwerking.
Maar dat betekent toch niet dat we ons alleen nog maar op het binnenperspectief
van het werelddiaconaat moeten richten? Ik vind dat al te gemakzuchtig.
Bovendien vind ik dat het geen recht doet aan de woon- en werkcontext van
armen. Elke context zal op zich genomen moeten worden en in elke context
zal een keuze gedaan moeten worden. Soms zal op basis van die keuze de weg
van o.s. gekozen worden.
De kwestie is dus niet mijn dilemma tussen Woord en daad. Hans geeft overigens een subtiele herformulering door achter Woord te plaatsen: (van God) en achter daad: (van de mens). Die tweedeling heb ik niet op die wijze gebruikt en wil ik ook niet gebruiken. Het ging mij om de bevruchtende verhouding tussen de bij elkaar horende elementen, waarbij ik niet aan kan en wil geven waar het primaat ligt. Voor de volledigheid herhaal ik dubbel wat ik daarover in mijn vorige artikel geschreven heb: "In haar motieven, in haar verantwoording afleggen, in haar keuzen, dient christelijke o.s. getuigenis te zijn. Ik doe daarbij geen uitspraak over wat belangrijker is, het Woord of de daad. Beide dienen met elkaar een eenheid te vormen en daarmee getuigenis te zijn. Niet alleen verbaal, maar ook non-verbaal." Daarin poog ik juist de eenheid aan te geven en het oorspronkelijke begrip dabar te laten functioneren in haar oorspronkelijke bedoeling.
Het slot van Hans' reactie geeft aan dat hij bijbels-holistisch werk onder armen alleen gestalte ziet krijgen als elk van de door hem beschreven dimensies nadrukkelijk aanwezig zijn en een harmonieus en complementair karakter vormt. Volgens mij geldt deze verhouding tussen doen, spreken en zijn voor elke christen op alle levensterreinen, ook voor de christen of de christelijke organisatie, actief in ontwikkelingssamenwerking. Ik pleit er dan ook met overtuiging voor om dergelijke begrippenkoppels niet op te sluiten in een term als Integral Mission, maar ze in vol geloofsvertrouwen in de diepste zin van het Woord als Gods water over Gods akker te laten vloeien.
Het zal duidelijk zijn: juist door de reactie van Hans, ben ik er nog meer van overtuigd dat christelijke ontwikkelingssamenwerking op basis van het buitenperspectief recht van spreken heeft.1
¹ Dat het door mij beschreven perspectief tot spannende en wederzijds
verrijkende dialogen kan leiden tussen kerken en ontwikkelingssamenwerking
bewijst m.i. het in augustus verschenen boek Faith in Development, partnership
between the World Bank and the Churches of Africa, Oxford, Augustus 2001.