|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
China grenst in
het noorden aan Mongolië, Rusland en Kazakstan, in het oosten aan Noord-Korea,
de Gele Zee en de Oost-Chinese zee, de Zuid-Chinese Zee, de golf van
Tonkin, Vietnam, Laos, Myanmar, India, Bhutan en Nepal liggen ten zuiden
van China en Afghanistan, Pakistan, Tajikistan en Kyrgyzstan liggen
in het westen. Meer dan 65% van China bestaat uit heuvels, bergen of
plateaus. Dit onherbergzame landschap bevindt zich voornamelijk in de
westelijke helft van China. Richting de noordgrens gaat het landschap
over in woestijn of semi-aride gebieden. In het noord- en zuidoosten
liggen grote vruchtbare vlakten (Latimer, 2001).
De bevolkingsdichtheid
is het hoogst in de oostelijke vlakten. In het westelijke berggebied
zijn grote delen onbewoond. Slechts 20% van China is cultuurland, in
Nederland is dat meer dan 70%. Vrijwel alle steden liggen in de oostelijke
vlakten, de grootste dicht bij de kust, bijv. Peking, Tianjin, Shanghai
en Hong Kong. In 1990 woonde 26% van de bevolking in steden.
China is officieel
een atheïstisch land. Het Marxisme had als doel het elimineren van alle
religies. Hierdoor werden alle religieuze groeperingen gedwongen om
ondergronds te gaan. In deze tijd ontstonden vele huisgemeentes. De
staat raakte de controle over de kerken kwijt en daarom koos men in
1978 voor een andere strategie. Er werd een staatsgeleide protestantse
en katholieke organisatie opgericht. Respectievelijk de 'Three-Self
Patriotic Movement' en de 'Catholic Patriotic Assocation'. Slechts een
klein aantal huisgemeentes heeft zich bij deze organisaties aangesloten.
China ziet religie als de oorzaak van de val van het communisme in Europa.
Op de wereldranglijst voor vervolging van Christenen staat China op
de vierde plaats (Open Doors Nederland, 2000).
De Chinese religies
zijn een mengeling van Boedisme, Taoïsme, Confucianisme en folklore.
Het Boedisme heeft vooral aanhangers onder de etnische minderheden zoals
de Zhuang, Manchu en Koreanen. Animisme wordt in de afgelegen bergstreken
en woestijnen gevonden.
Bron: Johnstone, 1993, p. 164 Het christendom
groeit met ongeveer 7,7% per jaar. Het grootste gedeelte van de groei
vindt in de huisgemeentes plaats. De huisgemeentes blijken een krachtige
christelijke beweging te zijn. Zij hebben het evangelie naar vele uithoeken
van China gebracht. Het grootste probleem van deze beweging is het leiderschap.
Sommige voorgangers zijn al erg oud en er is niet altijd een opvolger
aanwezig. Aan de andere kant zijn er veel jong bekeerde voorgangers
met nog weinig kennis van het evangelie. Hierdoor kunnen dwaalleren
en sektes makkelijk ingang vinden. Er is een groot tekort aan Bijbels
en andere christelijke lectuur. In de bergen worden geheime cursussen
voor leiders gegeven.
Rond 200 v.C.
werd China verenigd onder de eerste keizer Shi Huangdi. Daarvoor bestond
het land uit onafhankelijke vorstendommen. De wisselwerking tussen Chinese
waarden en buitenlandse invloed heeft altijd al gespeeld. Er waren 'open'
tijden maar soms werd de nadruk op de Chinese cultuur gelegd. In 1921
werd in Sjanghai, naar Russisch voorbeeld, de communistische partij
opgericht. Op 1 oktober 1949 werd door Mao Zedong de Volksrepubliek
van China uitgroepen. In centralistische vijfjarenplannen probeerde
Mao een communistische maatschappij volgens marxistische doctrines te
verwezenlijken. De economische ontwikkeling ging echter traag en de
onvrede groeide. Daarom werd in 1958 de "grote sprong voorwaarts" ingesteld.
Dit experiment zou in enkele jaren de landbouw en industriële productiviteit
enorm moeten verhogen. Door fouten in de organisatie leidde het echter
tot hongersnood, ziektes en onrust; meer dan 20 miljoen mensen, voornamelijk
boeren, kwamen om van de honger. De mislukking van de grote sprong voorwaarts,
verschillende grensconflicten en het wegvallen van de Russische steun
brachten het land in 1960/61 tot aan de rand van de afgrond. Mao werd
gedwongen af te treden en werd o.a. opgevolgd door Deng Xiaoping. Er
was grote verdeeldheid tussen voor- en tegenstanders van Mao. Deze gespannen
politieke situatie mondde in 1966 uit in de "grote proletarische culturele
revolutie". De aanhangers van Mao kregen de macht in handen en in 1969
werd de orde hersteld. Er werd echter gekozen voor een gematigde sociaal
economische koers. Begin jaren '70 werd China lid van de VN, leefden
de internationale relaties, vooral met Amerika, op en raakte de buitenlandse
handel in een stroomversnelling. Deng Xiaoping werd in 1973 gerehabiliteerd
en hij bleef, hoewel hij nooit meer partijvoorzitter werd, tot 1995
de sterke man.
De economische
hervormingen, die eind 1978 begonnen zijn, lijken tot successen te leiden.
Het BBP bedroeg 2385 miljard gulden in 1999. Het BBP groeide in 1999
met 7,1% per jaar en is sinds 1978 verviervoudigd. In grootte is China
de tweede economie van de wereld, na de V.S.
Een belangrijke
motor van de economische groei is de lichte industrie. De lichte industrie
is begonnen met laagwaardige producten maar nu is er in toenemende mate
sprake van technologisch hoogwaardige producten. Ondanks deze verschuiving
blijft de productie arbeidsintensief.
De sociaal-economische
situatie van China is verbeterd maar vanuit het buitenland is er nog veel
kritiek op de burger- en politieke rechten. Het lijkt de laatste jaren
in toenemende mate mogelijk hierover een dialoog met China aan te gaan.
Eveneens staat China niet meer zo vijandig tegen internationale organisaties
als de Wereldbank, IMF en WTO.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||